Als een maki in de zon – over fragiliteit en eeuwigheid zomer 2020

Stilte en gebed

We zijn stil voor u…

Eeuwig licht,

zacht licht,

alles absorberend licht,

wij leven van u.

Zoals een zonnebloem zich keert naar de zon,

zo zoeken wij u,

openen ons voor u

en het is liefde die wij in u ontvangen.

Verlicht en verwarm

donker en kilte in ons.

Neem ons op in uw gloed.

Amen

 

Opstapje naar het thema: Verbijstering

Een stokoude reuzenschildpad en een pas geboren eendagsvlieg zaten wat te praten op een steen in de zon.

Hoeveel minuten oud ben je nou, opa Schildpad? – vroeg de eendagsvlieg.

Dat had hij misschien beter niet kunnen vragen want het kostte hem een flink deel van zijn leven eer de reuzenschildpad met een antwoord kwam: Minuten? Maar jongetje toch, dat is niet te tellen. Als je me nou vroeg hoeveel eeuwen…  

Eeuwen?? Dat gaat me boven de pet. Dat overstijgt mij zogezegd, zei de eendagsvlieg die een dichter was en de dingen graag een beetje beeldend formuleerde.

Maar, voegde hij eraan toe, waar ik heen wil is dit: als je zo oud bent als jij heb je alles wel duizend keer gezien en vind je alles zeker doodsaai?

 

Na weer een eeuwigheid begon de reuzenschildpad te spreken, traag en met gesloten ogen.

Geloof  me, jongen, hoe ouder je wordt hoe nieuwer en vreemder alles is. Juist als kind vond ik alles vanzelfsprekend. Het is de ouderdom die verbijstert…  de gewoonste dingen: dat het elke morgen licht wordt, dat je hier rondloopt op een bol in dat grote heelal, dat het bestaat…

Hij zweeg weer enkele minuten, die de eendagsvlieg het gevoel gaven dat zijn leven voorbij snelde.

In gedachten schreef hij een gedicht – voor vliegen:

Seconden en minuten en zelfs uren

vliegen als een schaduw heen…

 

Maar wat mij nog het meest verbijstert, vervolgde de reuzenschildpad, dat is de tijd. Niets zo geheimzinnig als tijd. Jij leeft nog maar een paar uur en toch zal dat voor jou net zo lang voelen als voor mij die paar honderd jaar. Het lijkt gisteren dat ik over het strand naar de zee toe kroop.

Tijd die verstrijkt, dat het leven voorbij gaat, dat is het wonderlijkste wat er is.

Als ik straks dood ben gaat er niets meer voorbij en blijft alles eeuwig nu.

Toen hij eindelijk was uitgesproken opende hij de ogen en zag de eendagsvlieg liggen.

Dood.

 

Lezingen:

Prediker 11:7-12:1, 12:6,7 (Vertaling naar de Naardense Bijbel)

Zoet is het licht – en goed is het voor de ogen om de zon te zien.

Ja, als de mens vele jaren leeft moet hij zich in die alle verheugen –

en van de dagen der duisternis bedenken dat zij vele zullen zijn:

al wat komt is ijlheid.

Verheug je, jongere, in je jeugd en doe je hart tegoed in de dagen van je jeugd;

volg de wegen van je hart en wat je ogen zien – weet dat God over dit alles je ter verantwoording roept;

verwijder verdriet uit je hart en laat kwaad aan je lijf voorbijgaan, want jeugd en morgenglans zijn ijl.

Gedenk je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de dagen van het kwaad komen en jou de jaren bereiken waarvan je moet zeggen: die bevallen me niets!

 

Muziek: Lied 650:1,2

 

Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond door de straten.

Het lichaam keert terug in de aarde, waar het eerst ook was

en de geestesadem keert terug in God, die haar heeft gegeven. 

 

Muziek: Lied 650:3,4

 

Mattheüs 6:33,34

Zoek eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid; en alles zal je worden toegevoegd; wees dus niet bezorgd voor de dag van morgen want ‘morgen’ zal zich bezorgd maken over zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan haar eigen kwaad.

 

Muziek: Lied 650:5,6

 

Ethica Spinoza (IV,67)

Een vrij mens denkt over niets minder dan over de dood. En zijn wijsheid is geen meditatie over de dood maar over het leven.

 

Muziek: Lied 650:7

Meditatie

Lieve mensen,

veel mensen lijden aan de tijd.

Dat die voorbijgaat – en nooit meer terugkomt.

Dat je er steeds minder van hebt naarmate je ouder wordt.

Dat hij zo bedrieglijk is in beleving.

Voor de reuzenschildpad volstrekt anders dan voor de eendagsvlieg.

Als kind duurde een zomervakantie eindeloos.

Je hele leven duurde eindeloos – zong ook Wim Sonneveld:

‘Ik was een kind en wist niet beter dan dat het nooit voorbij zou gaan.’

Nu weet je wel beter: tijd is fragiel zoals het leven fragiel is.

Het is niets, een damp, een ademtocht, zegt Prediker: ijlheid.

Hoe ga je om met die fragiele tijd

zonder te verzinken in nostalgie of zelfs melancholie?

Tijd is betrekkelijk, toonde Einstein aan.

Het helpt om dat te weten:

tijd heeft niet het laatste woord.

Er is een dimensie buiten de tijd… geheimzinnig.

Als je op een lichtstraal weg zou kunnen vliegen en je keert terug

heeft jouw tijd stil gestaan en is je tweelingbroer ouder dan jij!

En Stephen Hawking schrijft in zijn laatste boek over de grote vragen:

‘Als we terugreizen in de tijd naar het moment van de oerknal

wordt het heelal kleiner en kleiner tot het een zwart gat is

en de klok gaat langzamer lopen tot hij stil staat –

omdat de tijd in een zwart gat niet meer bestaat!

Er was geen tijd voor de oerknal…’

Verbijsterend, niet?

Tijd die verstrijkt is dus niet het laatste gegeven.

Het ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ hoeft ons niet terneer te slaan.

Tijd is niet absoluut maar relatief.

Tijd is fragiel maar… we leven wel in de tijd.

We zijn gebouwd op tijd, we zijn tijdgebonden.

Het is alles wat we hebben. 

Ons leven lijkt gevangen in tijd, tussen begin en einde.

We hebben tijd nodig om ons te ontwikkelen.

Hij doet onmiskenbaar iets met ons.

Hij slijt ons, hij trekt ons mee in zijn stroom, in zijn eeuwige verandering.

De tijd stelt ons in staat om te leren.

Misschien is dat nog wel het belangrijkste en het meest noodzakelijke:

dat ons leven zich aan ons voltrekt in de tijd

en dat wij in de loop daarvan andere mensen worden.

Wij staan voortdurend bloot aan transformatie.

Fysiek is er na zeventig jaar bijna niets meer van mij over.

De cellen van de baby die ik was zijn allang vervangen.

Maar vooral geestelijk is er heel veel van mij gestorven,

en toegevoegd: ik ben getransformeerd.

En wat zich vooral aan een mens toevoegt,

dat is: besef van het eeuwige

Het is frappant: we hebben tijd nodig om besef te krijgen van het eeuwige.

Om te leren hoezeer ons leven is verbonden met het eeuwige

en hoezeer het eeuwige zich nestelt in de tijd.

Hoe meer de tijd verstrijkt hoe fragieler hij wordt

en hoe meer eeuwigheid zich in hem nestelt.

In de woorden van mijn collega en Spinoza-kenner Jan Knol:

‘Beseffen dat je deel uitmaakt van een groter geheel werkt bevrijdend.

Hoe meer de mens zich bewust is van zijn fragiliteit,

des te helderder is hij zich bewust van de eeuwigheid van zijn diepste zelf.’

In de gaten van de tijd –

en in de loop van ons leven vallen er steeds meer gaten –

wordt de eeuwigheid steeds meer zichtbaar.

Tijd is relatief, tijd is fragiel.

Maar wat is eeuwigheid dan?

Prediker, een wijze uit vermoedelijk de 2e eeuw voor Christus,

schildert de tijd van een mensenleven van jong tot oud,

tot de jaren waarvan je moet zeggen: die bevallen me niets!

En hij schildert heel dichterlijk maar genadeloos de ouderdom.

Leest u het thuis nog maar eens na, het stuk dat we nu hebben overgeslagen:

een opsomming van onmiskenbare aftakeling.

Tot hij uitkomt bij de rust van de dood:

En de mens gaat naar zijn eeuwig huis.         

Het lichaam keert terug in de aarde, waar het eerst ook was

en de geestesadem keert terug in God, die haar heeft gegeven.

Wat een ongelooflijke rust gaat daarvan uit!

We zijn weer thuis.

Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Geestesadem, een combi van geest en levensadem,

kunnen we in onze tijd misschien het dichtst benaderen

met het woord energie.

De energie, die onzichtbare kracht die ons drijft,

gaat weer op in de bron waaruit zij voortkomt.

Onze fragiliteit komt thuis in de eeuwigheid.

Die eeuwigheid is niet eindeloze tijd, want zoals we net al zagen:

buiten ons leven bestaat de tijd niet –  we zijn ‘uit de tijd’.

Duizelingwekkend… en voor ons, tijdgebonden wezens, niet voor te stellen.

Eeuwig is eeuwig nu.

En vanuit mijn ervaring in de tijd voeg ik eraan toe:

Eeuwig is eeuwige liefde nu.

Een zwart gat met een onvoorstelbare dichtheid van liefde.

Een implosie van liefde, waarin wij allemaal thuiskomen,

samen met onze geliefden…

Maar als wij bestemd zijn om in het eeuwig nu te leven,

waarom zouden we daar dan maar alvast niet mee beginnen?  

Ons focussen op het nu,

in plaats van ons te bekommeren om de tijd,

hetzij door te rouwen om wat voorbij is

hetzij door ons zorgen te maken over de toekomst

en de onvermijdelijke dood.

Prediker roept ons op om het leven in te drinken van jongs af aan.

Proef hoe zoet het licht is van elke nieuwe dag.

Volg de intuïtie van je levenslust en je liefde.

Leef voluit en intens en houd het getob en negatieve bij je vandaan.

Er zijn elke dag wel duizend dingen om aan je te laten vreten,

maar doe het niet – laat het niet aan jezelf komen, de rottigheid.

Zie de schoonheid en de schepping in alle dingen.

Want leven en tijd zijn fragiel: ijlheid.

Ga volkomen op in het nu, niet zozeer in de zin van ‘pluk de dag’ –

dat is een tegeltjeswijsheid – maar dieper: heb de dag lief.

Heb het nu lief, verzamel liefdemomenten

en denk niet aan de tijd die voorbijgaat en niet aan de dood.

Zo zei Spinoza het: mediteer op het leven  –

hij is maar vierenveertig geworden

maar zie eens wat zijn korte, ziekelijke leven heeft betekend.

Het zit ‘m niet in lange tijd of veel tijd, niet in jong of oud, maar in diepgang.

Ook Jezus roept op om niet te tobben over vroeger of later,

maar te leven in het nu en in het nu het koninkrijk van God te zoeken.    

Jezus is maar drieëndertig geworden,

maar zijn fragiele leven is gevuld met eeuwen, met eeuwigheid…

Zoek eerst het koninkrijk van God.

Misschien kunnen we daarvoor in de leer bij de maki’s van Madagaskar.

Zie het plaatje voor op uw liturgie: de mediterende maki.

Zie hoe zij haar armen spreidt en zoekt naar de zon .

Hoe ze haar kwetsbare buik opent voor het licht.

Zoals een zonnebloem uitzinnig zich rekt en zich opent naar de zon,

zo zoekt ook zij het licht, want het licht is zoet.

Zij zoekt het koninkrijk Gods.  

Zij leeft volkomen in het nu.

Zij volgt het verlangen van haar lijf en haar hart.

Zo te zitten in God,

zo je te laten verwarmen door God,

zo God te vangen en te voelen en te vrijen met het licht…

… dan vertraagt de tijd en wordt eeuwigheid.

Dan ben je nu al in je eeuwig huis.

STILTE 

 

Inleidende woorden bij My back pages

Als je zo leeft in het eeuwige nu verandert de tijd. Vanuit dat perspectief zie je hoe je oud kunt zijn ook als je jong bent in jaren. En hoe je jong en onbevangen kunt zijn ook al ben je oud en ziekelijk. Bob Dylan schreef een nogal cryptisch lied over zijn jeugd, zijn ‘back pages’ – oude teksten – hoe goed hij het allemaal wist, fel als ‘crimson flames’ (karmozijnrode vlammen)  en hoe gelijkhebberig hij was, een zwart/witdenker – lies that life is black and white – hoe scherp hij de lijn trok tussen goed en kwaad maar… dat hij toen veel ouder was dan nu. I was so much older then, I’m younger than that now. Naarmate je ouder wordt kun je jonger worden. We luisteren ernaar in de uitvoering van The Byrds.

 

Crimson flames tied through my ears, rollin’ high and mighty traps
Pounced with fire on flaming roads using ideas as my maps
“We’ll meet on edges, soon, ” said I, proud ‘neath heated brow
Ah, but I was so much older then, I’m younger than that now

Half-wracked prejudice leaped forth, “rip down all hate, ” I screamed
Lies that life is black and white spoke from my skull, I dreamed
Romantic facts of musketeers foundationed deep, somehow
Ah, but I was so much older then, I’m younger than that now

Girls’ faces formed the forward path from phony jealousy
To memorizing politics of ancient history
Flung down by corpse evangelists, unthought of, though somehow
Ah, but I was so much older then. I’m younger than that now

A self-ordained professor’s tongue too serious to fool
Spouted out that liberty is just equality in school
“Equality, ” I spoke the word as if a wedding vow
Ah, but I was so much older then, I’m younger than that now

In a soldier’s stance, I aimed my hand at the mongrel dogs who teach
Fearing not that I’d become my enemy in the instant that I preach
My existence led by confusion boats, mutiny from stern to bow
Ah, but I was so much older then, I’m younger than that now

Yes, my guard stood hard when abstract threats too noble to neglect
Deceived me into thinking I had something to protect
Good and bad, I define these terms quite clear, no doubt, somehow
Ah, but I was so much older then I’m younger than that now

 

Gebeden (met stilte en Onzevader)

Eeuwige liefde,

vuur van verre dat ons verwarmt

en ons aantrekt en aanspoort

om liefde uit te stralen,

wij leggen in uw lichtkring neer

onze gebedsintenties

en we noemen u:

 

het klimaat en het milieu, onze lieve aarde…

de bezetenheid en de machtswellust van wereldleiders…

de misverstanden waarin mensen soms leven…

de oppervlakkigheid en de leegte…

de tragiek en de pijn van het bestaan…

de onbegrijpelijke raadsels, de schreeuw van wanhoop, het grote waarom…

de zorgen om corona en de gevolgen voor zoveel mensen…  

onze persoonlijke zorgen en vragen…

wie ons lief zijn, in de stilte…

We bidden samen het Onzevader:

 

Onze Vader die in de hemelen zijt,

Uw naam worde geheiligd / uw Koninkrijk kome.

Uw wil geschiede / gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking / maar verlos ons van de boze.

Want van u is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid,

tot in eeuwigheid,

Amen.